Jou of jouw? Zo weet je het altijd
Staat er een zelfstandig naamwoord achter, dan is het jouw: jouw naam, jouw fiets. In alle andere gevallen is het jou: voor jou, met jou, ik zie jou.
Altijd vóór een zelfstandig naamwoord: iets is van jou of hoort bij jou.
- jouw naam, jouw verjaardag
- Hoe was jouw dag?
- Test: past mijn? Dan is het jouw.
Na een voorzetsel of als lijdend of meewerkend voorwerp, zonder zelfstandig naamwoord erachter.
- voor jou, bij jou, met jou
- Ik hou van jou.
- Test: past mij? Dan is het jou.
Wanneer gebruik je jou en wanneer jouw?
Kijk naar het woord dat erna komt. Is dat een zelfstandig naamwoord (een woord waar je de of het voor kunt zetten, zoals de naam of het huis)? Dan schrijf je jouw. Het lidwoord valt dan weg: de naam wordt jouw naam.
Volgt er geen zelfstandig naamwoord, dan schrijf je jou. Dat is vooral zo na een voorzetsel (voor jou, van jou, aan jou) en als jij degene bent die iets overkomt of krijgt (ik zie jou, wij wensen jou succes).
Ezelsbruggetje: vervang het woord door mij of mijn.
"Mijn naam" klopt, dus jouw naam. "Voor mij" klopt, dus voor jou. Meer over het ezelsbruggetje
Twijfelgevallen
- Bij jou thuis: "thuis" is hier geen zelfstandig naamwoord, dus jou (bij mij thuis).
- Jou kennende: "kennende" is een werkwoordsvorm, dus jou (mij kennende).
- Wat jou betreft: "betreft" is een werkwoord, dus jou (wat mij betreft).
- Voor jouw doen: "doen" is hier een zelfstandig naamwoord, dus jouw (voor mijn doen).
En "je"?
Je is de onbeklemtoonde vorm van allebei: je naam (jouw naam) en voor je (voor jou). Wil je nadruk leggen, of twijfel je, schrijf dan jou of jouw volgens de regel hierboven.
Veelgezochte zinnen
Jou of jouw + woord
Vóór een zelfstandig naamwoord is het jouw. Een paar veelgezochte voorbeelden: