Trots op jou of jouw? Wat is juist?
Het is "trots op jou", niet "trots op jouw".
Het is "Ik ben trots op jou." Na het voorzetsel "op" volgt geen zelfstandig naamwoord, dus gebruik je "jou". Test: "trots op mij" klopt, dus "trots op jou". Ben je trots op iets van de ander, dan wordt het "jouw": "Ik ben trots op jouw prestatie."
Ezelsbruggetje: vervang jou/jouw door mij/mijn. Past "mijn", dan is het jouw. Past "mij", dan is het jou. Zo werkt het
Voorbeeldzinnen
- We zijn ontzettend trots op jou!
- Je vader zou trots op jou zijn.
- Ik ben trots op jouw doorzettingsvermogen.
Trots op jou of jouw?
Het juiste antwoord is trots op jou. "Trots op jouw" is dus fout. Maar waarom?
De uitleg
Na een voorzetsel zoals op gebruik je altijd jou, niet jouw. Jouw is een bezittelijk voornaamwoord en hoort thuis vóór een zelfstandig naamwoord, zoals in "jouw fiets" of "jouw idee". In de zin "Ik ben trots op jou" volgt er na op geen zelfstandig naamwoord, dus schrijf je jou.
Twijfel je? Gebruik dan de mij-test: vervang jou door mij. "Ik ben trots op mij" klinkt goed, dus "Ik ben trots op jou" is juist. Zou je mijn invullen? Dan gebruik je jouw. Vergelijk: "Ik ben trots op jouw doorzettingsvermogen" — hier staat jouw vóór het zelfstandig naamwoord doorzettingsvermogen.
Wanneer gebruik je deze zin?
Je schrijft "trots op jou" vaak in een verjaardagskaartje, een appje na een examen of een bericht aan iemand die iets bijzonders heeft bereikt. Denk aan:
- De hele klas is trots op jou na je geweldige presentatie.
- Ik wil je even laten weten dat ik echt trots op jou ben.
Samengevat
- Juist: trots op jou
- Fout: trots op jouw
- Gebruik jouw alleen als er daarna een zelfstandig naamwoord volgt, zoals "jouw prestatie".
Ook gevraagd
Ik ben trots op jou of jouw?
Het is "trots op jou", niet "trots op jouw".
Zo trots op jou of jouw?
Het is "trots op jou", niet "trots op jouw".
We zijn trots op jou of jouw?
Het is "trots op jou", niet "trots op jouw".