Jou of jouw kant? Wat is juist?
Het is "jouw kant", niet "jou kant".
"Kant" is een zelfstandig naamwoord, dus het is "jouw kant". Dat geldt ook in de uitdrukking "jouw kant op": "Ik kom jouw kant op." Test: "mijn kant op" klopt, "mij kant op" niet.
Ezelsbruggetje: vervang jou/jouw door mij/mijn. Past "mijn", dan is het jouw. Past "mij", dan is het jou. Zo werkt het
Voorbeeldzinnen
- Ik sta aan jouw kant.
- Ik kom morgen jouw kant op.
- Vertel eens jouw kant van het verhaal.
Jou of jouw kant? Altijd jouw kant
Het woord kant betekent een richting of zijde, zoals de linkerkant of de overkant. Het is een zelfstandig naamwoord met het lidwoord de. Zodra je jouw ervoor zet, verdwijnt dat lidwoord: de kant wordt jouw kant.
Waarom jouw en niet jou?
Jouw is een bezittelijk voornaamwoord. Het geeft aan dat iets van jou is of bij jou hoort, en het staat altijd vóór een zelfstandig naamwoord. Een eenvoudige test: kun je mijn op dezelfde plek zetten? Dan is jouw de juiste keuze. Jou schrijf je alleen als er een voorzetsel voor staat, of als het woord lijdend of meewerkend voorwerp is.
- Zie je jouw kant van de zaak wel eens door mijn ogen? ✓
- De bal rolde precies jouw kant uit. ✓
Schrijf je jou kant of jou kant op? Dat is allebei fout. De test maakt het duidelijk: mijn kant op klopt, maar mij kant op klinkt meteen vreemd. Daarom is het ook altijd jouw kant op, nooit jou kant op.
Geldt dat ook voor vanuit jouw kant?
Ja. Ook in combinaties zoals vanuit jouw kant of van jouw kant blijft kant een zelfstandig naamwoord. Het voorzetsel (vanuit, van) hoort bij het hele zinsdeel, niet alleen bij jouw. Schrijf dus altijd vanuit jouw kant.
Ook gevraagd
Jouw kant op of jou kant op?
Het is "jouw kant", niet "jou kant".
Jou of jouw kant op komen?
Het is "jouw kant", niet "jou kant".
Vanuit jou of jouw kant?
Het is "jouw kant", niet "jou kant".