Jou of jouw wens? Wat is juist?
Het is "jouw wens", niet "jou wens".
"wens" is een zelfstandig naamwoord. Vóór een zelfstandig naamwoord gebruik je het bezittelijk voornaamwoord "jouw": het gaat om iets wat van jou is of bij jou hoort. Test: "mijn wens" klopt, "mij wens" niet. Dus het is "jouw wens". Het lidwoord valt daarbij weg: "de wens" wordt "jouw wens".
Ezelsbruggetje: vervang jou/jouw door mij/mijn. Past "mijn", dan is het jouw. Past "mij", dan is het jou. Zo werkt het
Voorbeeldzinnen
- Wat is jouw grootste wens?
- Jouw wens is uitgekomen.
- We houden rekening met jouw wensen.
Jou of jouw wens?
Een wens is iets wat je graag wilt of hoopt. Het woord wens is een zelfstandig naamwoord: je zegt de wens. Vóór een zelfstandig naamwoord gebruik je altijd jouw, niet jou. Het lidwoord de valt daarbij weg: de wens wordt jouw wens.
Het juiste antwoord
- Juist: jouw wens
- Fout: jou wens
Hoe weet je dat?
Gebruik de mijn-test: vervang jouw door mijn en jou door mij. Mijn wens klinkt goed, mij wens niet. Dus schrijf je jouw wens. Hetzelfde geldt voor het meervoud: je schrijft jouw wensen, niet jou wensen.
Voorbeeldzinnen
- Vertel me eens: jouw wens staat bovenaan de lijst.
- De organisatie doet er alles aan om jouw wensen te vervullen.
Wanneer gebruik je dan wél jou?
Jou gebruik je als het woord alleen staat, dus niet vóór een zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: Ik doe het voor jou. Staat er daarna een zelfstandig naamwoord zoals wens? Dan is het altijd jouw.
Ook gevraagd
Jou of jouw wensen?
Het is "jouw wens", niet "jou wens".