Jou of jouw vragen? Wat is juist?
Allebei kan, afhankelijk van de zin: "jouw vragen" en "jou iets vragen".
"Vragen" kan twee dingen zijn. Als zelfstandig naamwoord (meervoud van "vraag") schrijf je "jouw": "Ik beantwoord jouw vragen." Test: "mijn vragen" klopt. Als werkwoord is "jou" het meewerkend voorwerp: "Mag ik jou iets vragen?" Test: "Mag hij mij iets vragen?" klopt.
Ezelsbruggetje: vervang jou/jouw door mij/mijn. Past "mijn", dan is het jouw. Past "mij", dan is het jou. Zo werkt het
Voorbeeldzinnen
- Stel jouw vragen gerust.
- Mag ik jou iets vragen?
- We hebben jouw vragen doorgestuurd.
Jou of jouw vragen? Wat is juist?
Het woord vragen kan twee dingen betekenen: het zijn de vragen die je aan iemand stelt (meervoud van "vraag"), of het is de handeling van iets vragen (het werkwoord). Welke spelling je kiest, hangt af van hoe je het woord gebruikt.
Jouw vragen – als zelfstandig naamwoord
Gebruik jouw als "vragen" een zelfstandig naamwoord is, dus als je het hebt over de vragen die van jou zijn. Jouw is een bezittelijk voornaamwoord en vervangt het lidwoord: je schrijft niet "de jouw vragen", maar gewoon jouw vragen.
Twijfel je? Vervang "jouw" door "mijn". Klopt de zin nog? Dan schrijf je jouw.
- Jouw vragen worden morgen besproken. → Mijn vragen worden morgen besproken. ✓
- De leraar heeft jouw vragen al gelezen. → De leraar heeft mijn vragen al gelezen. ✓
Jou vragen – als werkwoord
Gebruik jou als "vragen" een werkwoord is en jij degene bent aan wie iets gevraagd wordt. Jou is dan het meewerkend voorwerp.
Twijfel je? Vervang "jou" door "mij". Klopt de zin nog? Dan schrijf je jou.
- Ik wil jou iets vragen over gisteren. → Ik wil mij iets vragen… ✓
Samengevat
- Jouw vragen – "vragen" is een zelfstandig naamwoord; test met "mijn".
- Jou iets vragen – "vragen" is een werkwoord; test met "mij".